De VlinderstichtingVlindernet
Help de vlinders
Dé informatiesite voor alle in Nederland voorkomende dagvlinders en macronachtvlinders

pijlstaarten - SPHINGIDAE

De pijlstaarten danken hun Nederlandse familienaam aan de karakteristieke stekel (pijl) op het achterlijf van de rups.


Foto: Marian Schut
lindepijlstaart (Mimas tiliae)
De familie van de pijlstaarten omvat wereldwijd ruim 1460 soorten, waarvan het grootste deel in de tropen leeft. In Nederland komen 18 soorten voor, waarvan de meeste als standvlinder en enkele als trekvlinder. Van de trekvlinders die zich hier voortplanten zijn de meeste niet in staat om hier te overwinteren. Waarnemingen in het vroege voorjaar duiden er op dat bepaalde soorten soms wel in staat zijn om zachte winters te overleven. Van enkele waargenomen pijlstaarten is de herkomst twijfelachtig; waarschijnlijk betreft dit exemplaren die mee zijn gekomen zijn met fruit-, groente- of plantentransporten.

Pijlstaarten zijn indrukwekkende, middelgrote tot grote, vaak opvallend gekleurde nachtvlinders. Een aantal behoort zowel vanwege de vleugellengte als vanwege de lichaamsgrootte tot de grootste nachtvlindersoorten die in Nederland voorkomen. De vlucht kenmerkt zich door grote snelheid en wendbaarheid. Met uitzondering van de dagactieve soorten komen de meeste pijlstaarten geregeld op licht. Ook kunnen ze overdag soms rustend worden aangetroffen; meestal betreft dit verse exemplaren. Drinkende soorten kunnen worden aangetroffen op de bloemen van nectarplanten, waarheen ze regelmatig terugkeren. Sommige pijlstaarten hebben helder gekleurde achtervleugels die in rusthouding meestal niet zichtbaar zijn, maar bij verstoring plotseling worden getoond om predatoren af te schrikken.
 

onderfamilie Sphinginae


Foto: Huig Bouter
ligusterpijlstaart (Sphinx ligustri)
De grootste pijlstaarten behoren tot de onderfamilie Sphinginae; het betreft de windepijlstaart, de doodshoofdvlinder, de ligusterpijlstaart en de dennenpijlstaart. Deze houden in de regel in rust hun vleugels dicht tegen het lichaam. Sommige soorten hebben een zeer lange roltong en zuigen in vlucht, stil hangend voor een bloem, nectar op. Andere soorten hebben een gereduceerde roltong en kunnen dus geen voedsel opnemen. De doodshoofdvlinder heeft een korte en zeer stevige roltong waarmee hij in staat is honingraten of vruchtenschillen te doorboren.
 

onderfamilie Smerinthinae

Soorten uit de onderfamilie Smerinthinae (lindepijlstaart, pauwoogpijlstaart en populierenpijlstaart) hebben een sterk gereduceerde roltong en kunnen dus geen voedsel opnemen. De achtervleugel heeft vaak een opvallend gekleurd veld en soms een oogvlek. De voorrand van de achtervleugel steekt in de rusthouding soms onder de voorvleugel uit. De vrouwtjes hebben een dikker achterlijf dan de mannetjes en zijn ook iets groter; de mannetjes rusten met het uiteinde van het achterlijf omhoog gebogen.
 

onderfamilie Macroglossinae


Foto: Michel van der Lugt
kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum), nectardrinkend met zijn lange roltong
Soorten uit de onderfamilie Macroglossinae (hommelvlinder, glasvleugelpijlstaart, kolibrievlinder, teunisbloempijlstaart, oleanderpijlstaart, wolfsmelkpijlstaart, walstropijlstaart, gestreepte pijlstaart, groot avondrood, klein avondrood en wingerdpijlstaart) hebben een zeer lange roltong. De meeste soorten zuigen, overdag of in de schemering, stil hangend voor een bloem, nectar op. Veel soorten hebben een delta-achtige vorm als een straaljager, terwijl de hommelvlinder en de glasvleugelpijlstaart door hun doorschijnende vleugels en gedrongen behaarde lichaam sterk op hommels lijken. De rupsen hebben vaak oogvlekken op enkele of meerdere lichaamssegmenten.
 

eieren, rupsen en poppen


Foto: Jeroen Voogd
rups van de llindepijlstaart (Mimas tiliae)
De eieren worden afzonderlijk of in paren vastgehecht aan de waardplant. De rupsen zijn over het algemeen groot en hebben vaak een opvallende kleur of tekening. Ze zijn onbehaard en de meeste hebben een hoornachtige stekel op het uiteinde van het achterlijf; dit is de karakteristieke ‘pijl’ waaraan deze familie haar Nederlandse naam ontleent. Bij de soorten uit de onderfamilies van de Sphinginae en de Smerinthinae is de stekel in de regel goed ontwikkeld, maar bij de Macroglossinae is deze vaak gereduceerd: bij het klein avondrood (Deilephila porcellus) is de stekel klein en bij de teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) is de stekel zelfs niet veel meer dan alleen een soort oogvlek. De rupsen voeden zich met de bladeren van houtige en kruidachtige planten. De pop van veel soorten bevindt zich aan de voet van de waardplant tussen mos en bladstrooisel of in de grond.
 
Laatste wijziging: 23 januari 2012
Meer over deze familie:

Foto: Jeroen Voogd
doodshoofdvlinder (Acherontia atropos)
Foto: Jeroen Voogd
glasvleugelpijlstaart (Hemaris fuciformis)
Foto: Jeroen Voogd
klein avondrood (Deilephila porcellus)
Foto: Hans van Oosterhout
rups van het groot avondrood (Deilephila elpenor)
Foto: Jeroen Voogd
rups van de kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum)


De Vlinderstichting beschermt vlinders en libellenOp Vlindernet vind je alles over vlindersOp Libellennet vind je alles over libellen