vorige  |  volgende
veelvraat  (Macrothylacia rubi)

De rups

Familie

spinners (LASIOCAMPIDAE)

Uiterlijk van de rups volgens
'Thieme's rupsengids' van D.J. Carter en B. Hargreaves

Tot 65 mm; lichaam fluweelzwart, op de rug een dichte, roodachtig bruine beharing en grijsachtige haren op de flanken; kop zwart en bruinachtig behaard; de haren kunnen jeuk veroorzaken. De jonge rupsjes zijn zwartachtig bruin met op de rug lichtgele insnijdingen tussen de segmenten.

Voorkomen

Een gewone soort die verspreid over het hele land voorkomt; op sommige vliegplaatsen talrijk.

Levenscyclus

Rups: augustus-april. De rups is actief tot in september en overwintert in volgroeid stadium op de grond, soms verscholen tussen mos of dode bladeren. Komt na de winter slechts korte tijd tevoorschijn om te zonnen in de voorjaarszon en verpopt zich in april, zonder verder nog voedsel op te nemen, in een langwerpige sigaarvormige cocon vlak bij de grond.

Habitat

Heiden, vochtige graslanden, open bossen en duinen.

Waardplanten

Diverse kruidachtige en houtige planten, waaronder struikhei, bosbes, braam en kruipwilg.

Laatste wijziging: 27 oktober 2011