De VlinderstichtingVlindernet
Help de vlinders
Dé informatiesite voor alle in Nederland voorkomende dagvlinders en macronachtvlinders

Wat is zeldzaamheid?

W.N. (Willem) Ellis - Werkgroep Vlinderfaunistiek

Iedereen weet wat zeldzaamheid is, maar toch bestaan er veel verschillende meningen over dit fenomeen. Het lijkt zo eenvoudig: ‘een soort is zeldzaam als er in een gebied weinig exemplaren voorkomen’. Aan deze praktische definitie is niets mis, maar de toepassing ervan is lastig.
 

Aantal exemplaren = aantal imago’s

Het is duidelijk dat zeldzaamheid gebaseerd moet zijn op het aantal exemplaren. Maar in welk stadium? Feitelijk is ook een ei een exemplaar; en iedereen begrijpt dat het aantal eieren van een soort groter is dan het aantal rupsen, en dat het aantal rupsen weer groter is dan het aantal volwassen vlinders. Dit is te wijten aan allerlei verschillende doodsoorzaken.

Om betrouwbare vergelijkingen te kunnen maken, moeten we de definitie dus aanscherpen en exemplaren beperken tot imago’s. Bij bijvoorbeeld zoogdieren en vogels zou je voor exemplaren moeten uitgaan van de geslachtsrijpe dieren. Het wordt nog moeilijker als je kijkt naar organismen als planten, koralen of paddestoelen. Veel planten, van aardbeien tot populieren, maken uitlopers boven of onder de grond, en alle exemplaren die met elkaar samenhangen zijn er feitelijk maar één (en die noemen we dan een kloon). Bij koralen is dat vaak niet anders. En een groot aantal paddestoelhoeden kunnen vruchtlichamen zijn van één soms vele tientallen meters groot onzichtbaar mycelium. Gelukkig hoeven entomologen zich daar het hoofd niet over te breken, maar het is goed te weten dat anderen het nog moeilijker hebben.
 

Representatief aantal

Om een beeld te hebben van het aantal vlinderimago’s moet je ze waarnemen: het volgende probleem. In de praktijk is het volstrekt onmogelijk om álle imago’s van een soort waar te nemen; feitelijk nemen we slechts een steekproef. We gaan er zonder veel nadenken van uit dat deze representatief is en dat we weten hoe we de steekproef kunnen vertalen naar de werkelijke aantallen. Geen van beide veronderstellingen is echter juist.

Voor vlinders zijn de meest toegepaste manieren van het nemen van een steekproef: kijken en jagen met het net, slepen en kloppen, lokken met verschillende lichtbronnen en lichtsoorten, lokken met smeer, lokken met feromonen en vangen in een malaiseval. Meer over enkele van deze methoden kunt u lezen in Waar en hoe vind ik vlinders?.
Voor elke soort geldt dat deze met elk van de genoemde methoden in verschillende aantallen gevonden wordt. Elk van deze methoden verschilt ook in mate van toepasbaarheid en populariteit. In theorie zijn er wel mogelijkheden om op gestandaardiseerde wijze waar te nemen, maar behalve voor gericht professioneel onderzoek worden deze weinig toegepast.

Voor de waarnemingen die binnenkomen bij De Vlinderstichting of de Werkgroep Vlinderfaunistiek is de enige praktische mogelijkheid om alle waarnemingen, hoe ook verricht, bij elkaar te vegen en alleen rekening te houden met het aantal waarnemingen en dus niet met het aantal exemplaren dat per waarneming wordt gemeld. Dat laatste is nodig omdat verschillende methoden verschillende aantallen exemplaren opleveren. Bovendien worden de aantallen sterk beïnvloed door de weersomstandigheden en de waarnemingsdatum ten opzichte van het vluchtdiagram. De aantallen worden wel gebruikt voor het berekenen van het vluchtdiagram, ze zijn dus beslist niet waardeloos! Zie ook Berekeningen met nachtvlindergegevens.
 

Gebied

Een soort kan een verspreidingsgebied hebben dat zich uitstrekt van Ierland tot de Oeral en van Lapland tot de Alpen. Is dat het gebied waarvan in de definitie sprake is? Nee; het gebied is het terrein waarover je een uitspraak wilt doen: een natuurreservaat, een gemeente, een provincie, een land, enzovoort. Dat lijkt chaotisch, maar is wat in feite iedereen weet: een soort kan vrij gewoon zijn op de Veluwe, maar uiterst zeldzaam zijn in de Noord-Hollandse polders. Dat maakt de discussie over zeldzaamheid zo oeverloos: rondom de woonplaats van de één kan een soort schaars zijn, terwijl een ander hem dagelijks ziet.
 

Wat is weinig?

Met het bovenstaande zijn we er nog niet. Want wat is weinig? Er zijn plaatsen in Nederland waar niet één, maar verscheidene waarnemers nacht na nacht met licht vangen, maar van veel meer plekken komt nauwelijks een waarneming binnen. Weinig wordt dus vanzelf relatief weinig. Wij lossen dit op door het aantal waarnemingen van een soort dat voor een bepaald gebied is binnengekomen te vergelijken met het aantal dagen dat er in dat gebied is waargenomen. Hoe die berekening precies in elkaar steekt kunt u lezen in Berekeningen met nachtvlindergegevens.
 

De talrijkheid van alle in Nederland waargenomen soorten macro- nachtvlinders, gerangschikt in volgorde van oplopende talrijkheid.
Het resultaat van de berekening is een getal juist boven nul (extreem zeldzaam) tot bijna 2400 voor de allergewoonste soort. Bijgaand grafiekje geeft een beeld van de talrijkheid van alle Nederlandse soorten macro-nachtvlinders. Soorten met een talrijkheid onder de 1 zijn zeer zeldzaam te noemen, tussen de 1 en de 10 liggen de zeldzame soorten, van 10 naar 100 de vrij algemene, en boven de 100 de zeer algemene soorten. De allergewoonste vier soorten zijn (in oplopende mate van talrijkheid): de haarbos (Ochropleura plecta), de sint-jacobsvlinder (Tyria jacobaea), de huismoeder (Noctua pronuba) en de kleine wintervlinder (Operophtera brumata).
 

Absolute zeldzaamheid

Een soort kan in het ene gebied zeldzamer zijn dan in het andere gebied. Een boeiende vraag is of een bepaalde soort over zijn hele verspreidingsgebied bezien ook zeldzamer kan zijn dan een andere soort. Kun je een soort, zonder naar de geografie te kijken, zeldzaam of gewoon noemen? In algemene termen is daar wel iets over te zeggen, maar dan moeten we ons niet beperken tot insecten. Roofdieren zijn zeldzamer dan hun prooidieren (stel je eens voor dat het niet zo zou zijn: meer leeuwen dan zebra’s!) Ook zijn grote organismen zeldzamer dan kleinere. En natuurlijk zijn soorten met heel specifieke ecologische eisen zeldzamer dan generalisten die zich overal thuis voelen en alles lusten.
 

Regionale zeldzaamheid

Ook in de regionale zeldzaamheid van soorten zitten patronen. Het duidelijkst is wel dat een soort globaal gesproken het talrijkst is in het centrum van zijn verspreidingsgebied. Aan de rand van het verspreidingsgebied zijn de ecologische omstandigheden voor de soort moeizaam en de populaties klein; de lokale zeldzaamheid van de soort is daar dus groot.
 

Verder lezen

Er zijn veel meer facetten aan zeldzaamheid. Wie er belangstelling voor heeft kan zijn hart ophalen bij de artikelen over dit onderwerp door Gaston [1] en Kunin [2].
 

1. ^ Gaston, K.J. (1994) volledige titelbeschrijving
2. ^ Kunin, W.E.; Gaston, K.J. (eds) (1997) volledige titelbeschrijving

Laatste wijziging: 13 februari 2009
mannetje viervlakvlinder (Lithosia quadra)
Foto: Jeroen Voogd
rups van de kompassla-uil (Hecatera dysodea)
Foto: Jeroen Voogd

De Vlinderstichting beschermt vlinders en libellenOp Vlindernet vind je alles over vlindersOp Libellennet vind je alles over libellen