De VlinderstichtingVlindernet
Help de vlinders
Dé informatiesite voor alle in Nederland voorkomende dagvlinders en macronachtvlinders

Leven in het oor van een mot: de mot-oormijt

W.N. (Willem) Ellis - Werkgroep Vlinderfaunistiek

Het gehoororgaan van een vlinder
Veel vlinders kunnen horen. Uilen en spanners, maar ook een aantal kleinere families, hebben organen om geluid op te vangen. De bouw van het gehoororgaan is meestal in wezen niet anders dan dat van ons oor: een holte, afgedekt met een strakgespannen vlies dat gaat trillen door geluidsgolven, en een gespecialiseerde groep zenuwuiteinden die de trillingen van het vlies registreren en het signaal naar de hersenen doorgeven voor verdere bewerking. In plaats van gehoororgaan mag dus best van oor worden gesproken. Alleen de plaats is anders; meestal zitten de oren in het borststuk of in de basis van het achterlijf. Bij uilen, waar het in dit artikel voornamelijk om gaat, bestaat het oor uit twee holtes: een in de achterzijkant van het borststuk en een tweede in de voorzijkant van het achterlijf. De twee bij elkaar horende holten staan met elkaar in verbinding. Elk van de twee heeft een trommelvlies: dat van het borststuk grenst aan de buitenlucht, dat van het achterlijf grenst aan de holte van het borststuk [1].

Bat-detectors
De voornaamste functie van het vlinderoor is om het geluid op te vangen dat door vleermuizen wordt gemaakt. Het sonarmechanisme van vleermuizen dient niet alleen voor de oriëntatie, maar ook voor het opsporen van vliegende prooi. Een vlinder die tijdig merkt dat er een vleermuis in aantocht is, kan daarop reageren door zich te laten vallen. Het vlinderoor is daarom, net als een bat-detector, gespecialiseerd in de ontvangst van extreem hoogfrequent geluid. Kennelijk is de selectiedruk van predatie door vleermuizen zo sterk dat het bij allerlei vlindergroepen een oor heeft doen ontstaan [2].

Mijten
Soms gooien mijten roet in het eten van deze prachtige aanpassing. Mijten (Acari) vormen een buitengewoon gevarieerde en soortenrijke groep van spinachtigen. Ze zijn van andere spinachtigen te onderscheiden doordat de kop, het borststuk en het achterlijf één geheel vormen (dit kenmerk hebben ze gemeen met hooiwagens, maar die zien er zo uniek uit dat vergissen niet mogelijk is). Mijten komen in allerlei milieus voor: in de bodem, in zoetwater en zelfs in zee. Nogal wat soorten zijn parasitair, zoals haarwortelmijten, schurftmijten en teken; een bekende plaag in de imkerij is een mijt die in de tracheeën (luchtbuizen) van honingbijen leeft. Er zijn mijten die zitten te wachten in een bloem tot er een kolibrie nectar komt drinken, waarna ze zich nestelen in de neusholte van de vogel. En er zijn mijten die bijna hetzelfde doen: wachten op een vlinder, het oor binnendringen en daar een gezin stichten.

Dicrocheles
Er zijn slechts weinig soorten mijten die dit gedrag vertonen en slechts één daarvan is werkelijk goed onderzocht: Dicrocheles phalaenodectes. Een wijfje dat eenmaal op een vlinder is aangeland vertoont een heel kenmerkend gedrag, waarbij allereerst het borststuk van de nieuwe gastheer uitvoerig wordt onderzocht. Vervolgens wordt de route naar de twee oren meermalen geïnspecteerd. De vlinder vertoont daarbij geen enkele afweerreactie. Nadat eenmaal de keuze gemaakt is voor het ene oor of het andere, worden binnen korte tijd de twee trommelvliezen kapotgebeten zodat de mijt een royale ruimte ter beschikking krijgt. De mijt voedt zich hier met bloedvloeistof door op geschikte plekken de wand van de oorholte aan te prikken. Het wijfje legt tot 80 eieren, waar zowel mannetjes als vrouwtjes uit komen. Al snel raakt het oor zodoende behoorlijk vol met een levendige mijtenpopulatie. Om de boel schoon te houden deponeren de mijten hun ontlasting deels buiten het oor, deels in een speciaal daartoe gereserveerd deel van de oorholte.
Na verloop van tijd is de kolonie zo groot geworden dat het oor overvol wordt. Mijten beginnen onderling een gedrag te vertonen dat op agressie lijkt: een soort wiebelende beweging. Datzelfde gedrag wordt, soms wel een uur lang, vertoond wanneer een vreemd vrouwtje probeert de kolonie binnen te komen. Meer en meer mijten verlaten nu het oor en vertrekken naar de halskraag (= patagia) van de vlinder. Wanneer de vlinder ‘s avonds actief wordt gaan ze vandaar naar de kop en de roltong, om wanneer de vlinder een bloem aandoet, daarheen over te stappen en de cirkel rond te maken [3].

Eenzijdig
Door de komst van de mijt is de vlinder stokdoof, maar slechts aan één oor. Onder natuurlijke omstandigheden blijft het andere oor vrij van mijten, ook als de mijtenpopulatie in het bezette oor maximaal van omvang is, en ook als de vlinder later een tweede infectie oploopt. Vermoedelijk heeft het wijfje dat de kolonie stichtte door het aanbrengen van een geurvlag één van de twee oren tot no-go-area bestempeld. De biologische betekenis ligt voor de hand: de vlinder is weliswaar gehandicapt, maar heeft toch nog een redelijke kans om aan een vleermuis te ontsnappen.

Vraag aan de lezers
Dicrocheles phalaenodectes is gevonden in Noord- en Zuid-Amerika en in Hawaï. Uit Europa (Zuid-Frankrijk) is een andere soort bekend: D. scedastes. Deze laatste soort is ook gevonden is in Afrika, Azië en Nieuw Zeeland. Het zou goed kunnen dat Dicrocheles voorkomt in Nederland en dan is de kans het grootst dat het om D. scedastes zal gaan. Om er achter te komen of dat inderdaad zo is, zal er wel naar gekeken moeten worden! Uitkijken naar motoormijten heeft nóg een goede reden. Van de biologie van D. scedastes is heel weinig bekend, maar bij de meeste vangsten die gedaan zijn was de aantasting wél tweezijdig! Misschien is het aantal waarnemingen eenvoudig niet goed genoeg? Doet een kolonie van D. scedastes misschien minder schade aan het oor (kleinere volkjes?)?
Dicrocheles parasiteert voor zover bekend alleen bij uilen. Binnen de uilen worden allerlei soorten belaagd, maar de mijten lijken een duidelijke voorkeur te hebben voor het geslacht Mythimna. Bij sommige grasuilen was (in Amerika) tot 90% van de vlinders geïnfecteerd. Een goed begin van de jacht op wat niet zomaar een nieuwe soort zou zijn voor onze fauna, maar zelfs een nieuw geslacht, en dan nog wel voor heel Noordwest-Europa, is om extra te letten op grasuilen. Het beste is om een vlinder die duidelijk is aangetast te doden (een erg prettig leven heeft hij toch al niet) en te bewaren voor verder onderzoek. Mijten kunnen eventueel bewaard worden in een buisje met alcohol.

Andere mijten op vlinders
Ook andere soorten mijten worden wel aangetroffen op vlinders. Kleine rode bolletjes, vastgehecht aan poten, antennen of vleugeladers zijn bloedzuigende larven van heel andere mijtenfamilies. Weer andere mijten hechten zich voor kortere of langere tijd aan vlinders vast om zich te verspreiden. Een mijt op een vlinder maakt dus nog geen motoormijt, daarvoor moet het oor aan de buitenkant worden geïnspecteerd. Onderstaande foto (afkomstig uit het boek: Mites of moths and butterflies [4]) geeft een beeld hoe dat er uit kan zien.
 

Een door de mot-oormijt aangetast oor.

 

1. ^ Scoble, M.J. (1995) volledige titelbeschrijving
2. ^ Spangler, H.G. (1988) volledige titelbeschrijving
3. ^ Treat, A.E. (1975) volledige titelbeschrijving
4. ^ Treat, A.E. (1975) volledige titelbeschrijving

Laatste wijziging: 13 februari 2009

Ook op zoek naar de mot-oormijt?

Lees dan de vraag aan de lezers onder aan dit artikel!

een door de mot-oormijt aangetast oor

De Vlinderstichting beschermt vlinders en libellenOp Vlindernet vind je alles over vlindersOp Libellennet vind je alles over libellen