De VlinderstichtingVlindernet
Help de vlinders
Dé informatiesite voor alle in Nederland voorkomende dagvlinders en macronachtvlinders

Familiekenmerken rupsen

In Nederland komen vijf dagvlinderfamilies en negentien nachtvlinderfamilies voor. Hieronder volgt een kort overzicht van kenmerken per familie met als voorbeeld bij elke familie een foto van een rups.
 

Dagvlinders


dikkopjes (Hesperiidae)


rups van het kaasjeskruiddikkopje (Carcharodus alceae)
Foto: Tineke Aarts
Van deze familie zijn 14 soorten in Nederland vastegesteld, waarvan er acht als standvlinder voorkomen. De rupsen van dikkopjes zijn groen of bruin, vrijwel onbehaard en zeer eenvoudig getekend. Ze zijn bijna allemaal te vinden op verschillende grassoorten.
meer informatie over deze familie »
 

grote pages (Papilionidae)


rups van de koninginnenpage (Papilio machaon)
Foto: Irene de Graaff
In Nederland zijn van deze familie drie soorten vastgesteld; alleen van de koninginnepage worden in ons land ook rupsen waargenomen. Jonge rupsen zijn zwart en hebben een witte vlek in het midden van het lichaam. Halfvolgroeide en volgroeide rupsen van de koninginnenpage zijn felgekleurd. Bij gevaar wordt een roodachtig vorkvormig orgaan uitgestulpt waarmee de rups een doordringende stank verspreidt.
meer informatie over deze familie »
 

witjes (Pieridae)


rups van het klein geaderd witje (Pieris napi)
Foto: Mirriam Arts
In Nederland zijn 14 soorten witjes vastgesteld; sommige daarvan komen niet meer voor of worden alleen als trekvlinder waargenomen. De rupsen van de meeste soorten zijn vrijwel onbehaard en eenvoudig groen getekend. De rupsen hebben per soort een verschillende leefwijze, maar alle soorten overwinteren in het popstadium.
Twee soorten die veel voorkomen en die sterk op elkaar lijken, zijn de rups van het klein koolwitje (Pieris rapae) en die van het klein geaderd witje (Pieris napi). De rups van het klein koolwitje heeft een gele rugstreep, die van het klein geaderd witje niet.
meer informatie over deze familie »
 

blauwtjes (Lycaenidae)


rups van het groentje (Callophrys rubi)
Foto: Paul Jongejan
Van deze familie zijn 27 soorten in Nederland vastgesteld, waarvan er 15 soorten als standvlinder voorkomen. Tot de familie van de blauwtjes behoren ook de vuurvlinders en kleine pages.
Alle rupsen hebben een ovale platte vorm en lijken enigszins op larven van zweefvliegen (zie ook Verwarring met larven van andere insecten). De rupsen hebben een dikke kop en een taaie huid. Sommige soorten hebben klieren die stoffen afscheiden waar mieren op af komen, dit betreft met name de Phengaris-soorten.
meer informatie over deze familie »
 

aurelia's (Nymphalidae)


rups van het bont zandoogje (Pararge aegeria)
Foto: Bert van Rijsewijk
Van deze familie zijn in Nederland 48 soorten vastgesteld, waarvan een aantal echter niet (meer) als standvlinder voorkomen. De aurelia's zijn onderverdeeld in parelmoervlinders zandoogjes en schoenlappers.
 

rups van de kleine vos (Aglais urticae)
Foto: Jeroen Voogd
Hoewel veel soorten de eieren afzonderlijk afzetten, komt het ook geregeld voor dat de eieren in groepen worden gelegd; in dat laatste geval leven de rupsen aanvankelijk met meerdere individuen bij elkaar. De rupsen kunnen allerlei vormen hebben en zijn vaak bedekt met korte stekels. De pop hangt ondersteboven aan een soort kransje van haakjes aan het uiteinde van het achterlijf.
meer informatie over deze familie »
 

Nachtvlinders


wortelboorders (Hepialidae)


rups van de gemarmerde wortelboorder (Pharmacis fusconebulosa)
Foto: Jeroen Voogd
In Nederland komen vijf soorten wortelboorders voor. De rupsen leven in de grond en overwinteren meestal tweemaal. Ze foerageren zowel aan de binnen- als aan de buitenkant van plantenwortels, waartussen ze zich ook verpoppen. De rupsen van deze familie kunnen net als de rupsen van micronachtvlinders achteruit ‘rennen’ als ze gestoord worden.
meer informatie over deze familie »
 

houtboorders (Cossidae)


rups van de wilgenhoutrups (Cossus cossus)
Foto: Piet Peters
Van de familie van de houtboorders leven er drie soorten in Nederland. De rupsen uit deze familie zijn vrijwel kaal (de spaarzame korte haren zijn nauwelijks te zien) en hebben een madeachtig uiterlijk. Ze leven in het hout of het stengelweefsel van de waardplant en zijn uitgerust met grote sterke kaken. De meeste rupsen verpoppen zich in de waardplant en hebben voor hun ontwikkeling vaak meer dan één jaar nodig.
meer informatie over deze familie »
 

bloeddrupjes (Zygaenidae)


rups van de sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae)
Foto: Gert Gelmers
Deze familie, waarvan in Nederland zes soorten voorkomen, is onderverdeeld in twee onderfamilies: de metaalvlinders (Procridinae) en de bloeddrupjes (Zygaeninae). De rupsen hebben een naaktslakachtige vorm en zijn allen licht behaard. Ze leven vooral op kruidachtige planten en overwinteren als rups, sommige soorten tweemaal.
meer informatie over deze familie »
 

venstervlekjes (Thyrididae)

Van deze familie komt slechts één soort in Nederland voor: de bosrankvlinder (Thyris fenestrella). De rupsen verspreiden een onaangename wantsengeur. Ze leven in een kokertje gemaakt van bladeren van bosrank, de waardplant van deze soort.
meer informatie over deze familie »
 

slakrupsen (Limacodidae)


rups van de slakrups (Apoda limacodes)
Foto: Mirriam Arts
Van deze familie komen twee soorten voor in Nederland. De rupsen lijken op een klein slakje. Ze overwinteren in een cocon die gemaakt wordt aan de onderkant van een blad.
meer informatie over deze familie »
 

wespvlinders (Sesiidae)


rups van de eikenwespvlinder (Synanthedon vespiformis)
Foto: Jeroen Voogd
In Nederland komen 13 soorten wespvlinders voor. De rupsen zijn vrijwel kaal, hebben een madeachtige uiterlijk en leven als boorders in de waardplant. Ze leven in stammen, wortels, takken of twijgen, waarbij ze gangen maken die gewoonlijk sporen van spinsel vertonen. Hiermee onderscheiden ze zich van boorders uit andere insectengroepen. De rupsen hebben vaak een sterke voorkeur voor slecht groeiende, geïsoleerd staande planten op verstoorde grond, met name aan de randen van paden en karrensporen.
meer informatie over deze familie »
 

spinners (Lasiocampidae)

Van deze familie leven 16 soorten in Nederland. De rupsen van alle soorten zijn (zwaar) behaard, wat hen beschermt tegen predatie door vogels. De rupsenharen kunnen bij mensen soms huidirritatie veroorzaken. De rupsen worden overdag vaak zonnend of etend waargenomen. De verpopping vindt plaats in een stevige, soms taaie cocon die dicht bij de grond wordt vastgemaakt aan de vegetatie; in de cocon wordt vaak rupsenhaar verwerkt.
meer informatie over deze familie »
 

rups van de veelvraat (Macrothylacia rubi)
Foto: Frans Verlaan

 

herfstspinners (Brahmaeidae)


rups van de herfstspinner (Lemonia dumi)
Foto: Jeroen Voogd
In Nederland komt van deze familie alleen de herfstspinner (Lemonia dumi) voor. De rups foerageert vooral ’s nachts en rust overdag onder de bladeren van de waardplant. In tegenstelling tot de rupsen van de spinners hebben de rupsen van de herfstspinners geen spinselklier en kunnen ze dus geen cocon maken; ze verpoppen zich in een holte onder de grond.
meer informatie over deze familie »

 

nachtpauwogen (Saturniidae)


rups van de nachtpauwoog (Saturnia pavonia)
Foto: Meint Mulder
In Nederland komen drie soorten nachtpauwogen voor. De rupsen van deze soorten hebben een zeer kenmerkend uiterlijk met opvallende kleuren en/of vreemde uitsteeksels. Er zijn duidelijke verschillen in kleur en tekening tussen de volgroeide rupsen en de jonge of halfvolgroeide rupsen.
meer informatie over deze familie »
 

berkenspinners (Endromidae)


rups van de gevlamde vlinder (Endromis versicolora)
Foto: Jacques Sentjens
In Nederland komt van deze familie slechts één soort voor, de gevlamde vlinder (Endromis versicolora). De rupsen leven eerst in groepen bij elkaar, daarna solitair.
meer informatie over deze familie »
 

eenstaartjes (Drepanidae)

Deze familie, waarvan in Nederland 16 soorten voorkomen, is onderverdeeld in twee onderfamilies: de eenstaartjes (Drepaninae) en de uilspinners (Thyatirinae).
meer informatie over deze familie »
 

rups van de gele eenstaart (Watsonalla binaria)
Foto: Hans van Oosterhout
eenstaartjes
De rupsen van de eenstaartjes, waarvan er zeven soorten in ons land leven, voeden zich met bladeren van bomen en struiken. Het achterste potenpaar van de rups is omgevormd tot een puntig lichaamsuiteinde dat op een karakteristieke manier omhoog wordt gehouden; dit is het ‘staartje’, waaraan deze onderfamilie haar Nederlandse naam dankt.
 

rups van de groenige orvlinders (Polyploca ridens)
Foto: Jeroen Voogd
uilspinners
Van de andere onderfamilie, de uilspinners, komen negen soorten in ons land voor. De rupsen zijn allemaal vrijwel onbehaard, maar heel verschillend van tekening. De meeste soorten leven overdag tussen samengerolde of samen gesponnen bladeren en foerageren ‘s nachts. De rupsen van de braamvlinder (Thyatira batis) en de vuursteenvlinder (Habrosyne pyrutoides) foerageren onbeschut.
 

spanners (Geometridae)


rups van de witte grijsbandspanner (Cabera pusaria)
Foto: Hans van Oosterhout
Met ongeveer 300 soorten vormen de spanners de op één na grootste vlinderfamilie in Nederland. Spannerrupsen zijn gemakkelijk van andere rupsen te onderscheiden doordat bij de meeste soorten het achterlijf slechts twee paar schijnpoten bezit: een paar naschuivers aan het uiteinde en een paar buikpoten op korte afstand daarvoor. Het middendeel van het lichaam heeft geen poten en wordt bij het voortbewegen steeds in een boog omhoog gespannen, waarbij het achtereind van het lichaam tot bij de voorste pootparen wordt getrokken. De Nederlandse naam voor de familie van de spanners is afgeleid van deze manier van voortbewegen. In rusthouding lijken de rupsen op een takje, waardoor ze nauwelijks opvallen. Als spannerrupsen verstoord worden laten ze zich vaak razendsnel aan een zijden draad naar beneden zakken. Later klauteren ze dan via deze draad of langs de waardplant weer omhoog. Jonge rupsen laten zich met behulp van deze draden op de wind wegvoeren. De meeste soorten foerageren op de bladeren van de waardplant, er komen echter ook soorten voor die alleen op of in zaden of bloemen leven. Net als de vlinders lijken ook de rupsen van veel soorten spanners zeer sterk op elkaar.
meer informatie over deze familie »
 

pijlstaarten (Sphingidae)


rups van de lindepijlstaart (Mimas tiliae)
Foto: Jeroen Voogd
In Nederland komen 18 soorten van de familie van de pijlstaarten voor.
De eieren worden afzonderlijk of in paren vastgehecht aan de waardplant. De rupsen zijn over het algemeen groot en hebben vaak een opvallende kleur of tekening. Ze zijn onbehaard en de meeste hebben een hoornachtige stekel op het uiteinde van het achterlijf; dit is de karakteristieke ‘pijl’ waaraan deze familie haar Nederlandse naam ontleent. Bij de soorten uit de onderfamilies van de Sphinginae en de Smerinthinae is de stekel in de regel goed ontwikkeld, maar bij de Macroglossinae is deze vaak gereduceerd: bij het klein avondrood (Deilephila porcellus) is de stekel klein en bij de teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) is de stekel zelfs niet veel meer dan alleen een soort oogvlek.
De rupsen voeden zich met de bladeren van houtige en kruidachtige planten. De pop van veel soorten bevindt zich aan de voet van de waardplant tussen mos en bladstrooisel of in de grond.
meer informatie over deze familie »
 

tandvlinders (Notodontidae)


rups van de eekhoorn (Saturopus fagi)
Foto: Jeroen Voogd
In Nederland komen 32 soorten tandvlinders voor. Deze familie herbergt rupsen in de meest uiteenlopende vormen en kleuren. De rupsen zijn vaak opvallend getekend en heffen hun kop en achterlijf omhoog als ze zich bedreigd voelen. Sommige hebben opmerkelijke uitsteeksels op hun rug of twee staartjes aan hun achterlijf. Er zijn ook soorten die geen uitsteeksels hebben, maar die gekenmerkt worden door een rubberachtige uitziende huid; ook behaarde rupsen komen voor in deze familie. De rupsen van de tandvlinders voeden zich met bladeren van diverse boomsoorten en gebruiken de waardplant ook om op te rusten. De verpopping vindt plaats in de grond, in de strooisellaag onder de waardplant of in een stevige cocon op de stam.
De eikenprocessierups (Thaumetopoea processionea), die tot 2011 werd ingedeeld in de familie processievlinders (Thaumetopoeidae), behoort volgens de nieuwste taxonomische inzichten ook tot de familie van de tandvlinders.
meer informatie over deze familie »
 

spinneruilen (Erebidae)


Foto: Regina Wieringa
Rups van de grote beer (Arctia caja). Op foto is een net vervelde rups te zien; het oude vervellingshuidje hangt nog aan de onderkant van de stengel.
In Nederland komen 83 soorten spinneruilen voor.

beervlinders
Van de spinneruilen behoren 35 soorten tot de onderfamilie van de beervlinders. De meeste rupsen zijn sterk behaard, vooral die van de grotere beren en de tijgers, maar ze veroorzaken vrijwel nooit huidirritaties. Er zijn een aantal soorten die sterk op elkaar lijken en gemakkelijk met elkaar verward kunnen worden. De rupsen van de grotere beren en de tijgers voeden zich gewoonlijk met kruidachtige planten. De rupsen van de meeste kleine beertjes voeden zich met (korst)mossen en algen die groeien op bomen, rotsen of muren, in vochtige lage vegetatie of op de grond. Van de kleine beertjes leeft ook een aantal soorten voornamelijk op grassen.
 

Foto: Jeroen Voogd
Jonge rups van de witvlakvlinder (Orgyia antiqua); naast de gele haarborstels zijn de twee klieren op segment 6 en 7 zichtbaar.
donsvlinders
Twaalf soorten behoren tot de onderfamiile van de donsvlinders. De rupsen zijn zwaar behaard; een aantal soorten verliest de haren echter gemakkelijk, vooral als de rups volgroeid is. De haren kunnen bij mensen soms huidirritaties veroorzaken en de rupsen kunnen daarom beter niet aangeraakt worden. Alle rupsen uit deze familie hebben op segment 6 en 7 van het achterlijf een klier aan de rugzijde; deze klieren worden bij aanraking uitgestulpt. Meestal zijn er meerdere rupsen bij elkaar in de buurt te vinden, omdat de eieren in grote groepen bij elkaar afgezet worden; sommige soorten leven in een spinsel. De rupsen van bijna alle soorten leven op houtige planten en loofbomen.

 

Foto: Meint Mulder
rups van het roesje (Scoliopteryx libatrix)
overige spinneruilen
Enkele soorten die eerst tot de familie van de uilen (Noctuidae) behoorden, worden nu tot de spinneruilen gerekend. Het gaat om de zogenoemde snuituilen, de Catocala-soorten, en onder andere het roesje (Scoliopteryx libatrix) en de paddenstoelenuil (Parascotia fuliginaria). De rupsen van deze soorten zijn onbehaard.

meer informatie over deze familie »
 

visstaartjes (Nolidae)

Een kleine familie die verspreid over de hele wereld voorkomt. De visstaartjes danken hun Nederlandse familienaam aan het feit dat bij een aantal rupsen uit deze familie de naschuivers duidelijk in een v-vorm achter het lichaam uitsteken en daardoor wel wat weg hebben van een vissenstaart. Dit betreft de volgende zeven soorten (kleine groenuil, grote groenuil, zilveren groenuil, populierengroenuil, variabele eikenuil, fraaie wilgenuil) en kleine wilgenuil.
Van de visstaartjes die behoren tot de geslachten Meganola en Nola zijn zeven soorten vastgesteld in Nederland. Kenmerkend is dat bij deze rupsen het eerste paar buikpoten ontbreekt. De behaarde rupsen voeden zich met houtige planten en loofbomen.
Alle rupsen verpoppen zich in een taaie bootvormige cocon tegen de stam of tegen een tak van de waardplant.
meer informatie over deze familie »
 

rups van de zilveren groenuil (Pseudoips prasinana)
Foto: Jeroen Voogd

 

uilen (Noctuidae)


rups van de kooluil (Mamestra brassicae)
Foto: Jeroen Voogd
Met meer dan 350 soorten vormen de uilen de grootste vlinderfamilie in Nederland. Veel soorten uit deze familie lijken sterk op elkaar doordat ze vrij eenvoudig groen of bruin getekend zijn. Het tot op soortniveau determineren van deze rupsen is vaak erg moeilijk. Uilenrupsen zijn het hele jaar te vinden; de meeste soorten zijn nachtactief.
De rupsen van de meeste soorten uilen zijn vrijwel onbehaard; een uitzondering hierop vormen de kleurige en harige rupsen van de Acronicta-soorten. De meeste rupsen hebben vier paar buikpoten en een paar naschuivers; er zijn echter ook soorten waarvan de rupsen slechts twee of drie paar buikpoten hebben; veelal zijn de afwezige buikpoten rudimentair aanwezig. Over het algemeen foerageren de uilenrupsen op bladeren, stengels of wortels van grassen en kruidachtige planten. Sommige soorten voeden zich met bladeren van bomen en struiken; dit zijn vaak soorten die als ei overwinteren en waarvan de rupsen uitkomen op het moment dat er in het voorjaar nieuwe bladeren aan de bomen groeien. De verpopping vindt meestal plaats in de grond of in de strooisellaag; ook zijn er soorten waarvan de rupsen zich verpoppen in vermolmd hout of plantenstengels. Soorten die leven op bomen en struiken verpoppen zich vaak in een cocon die vastgehecht wordt aan een blad of aan de stam.
meer informatie over deze familie »
 

Laatste wijziging: 28 januari 2012

De Vlinderstichting beschermt vlinders en libellenOp Vlindernet vind je alles over vlindersOp Libellennet vind je alles over libellen