De VlinderstichtingVlindernet
Help de vlinders
Dé informatiesite voor alle in Nederland voorkomende dagvlinders en macronachtvlinders
vorige  |  volgende
piramidevlinder  (Amphipyra pyramidea)

Overdag verbergt de piramidevlinder zich in holle bomen, in nestkasten of in gebouwen vaak met meerdere exemplaren.

Familie

uilen (NOCTUIDAE)
meer informatie over deze familie »


Deze soort is moeilijk tot zeer moeilijk te determineren. Let dus altijd goed op de gelijkende soorten. Soms is genitaliën-
onderzoek nodig voor een zekere determinatie.




Kenmerken

Voorvleugellengte: 21-26 mm. De voorvleugel van deze forse uil, die uiterlijk zeer moeilijk te onderscheiden is van de schijn-piramidevlinder (A. berbera), heeft een bruine of bruinachtig grijze grondkleur met een donkere middenschaduw. Deze middenschaduw reikt soms bijna tot aan de lichte buitenste dwarslijn, die daardoor extra helder afsteekt. Ook de lichte ringvlek met de donkere kern valt doorgaans goed op. De binnenste dwarslijn is grof getand en eindigt bij de binnenrand van de vleugel in twee duidelijke V-vormige tanden. De buitenste dwarslijn is soms witter dan de binnenste. Aan de binnenzijde van de golflijn bevinden zich zwarte pijlvlekken. De bovenzijde van de achtervleugel is koperkleurig; de onderzijde is bij de binnenrandhoek eveneens koperkleurig en verder vooral strokleurig. Soms komen donkerbruine vlinders voor; deze hebben echter wel een lichte tekening. Het achterlijf is aan de basis meestal lichter gekleurd dan aan het uiteinde. De palpen zijn vanaf de voorkant bekeken langs de zijkanten donker en daartussen bevindt zich een lichte strook die over de onderzijde van alle segmenten loopt (zie de extra opmerking bij Meer over gelijkende soorten).

Gelijkende soorten

De tekening op de voorvleugel is bij de schijn-piramidevlinder (A. berbera) meestal iets doffer en minder scherp. Een belangrijk verschil betreft het middenveld van de voorvleugel: bij de piramidevlinder is de afstand tussen de centrale dwarslijnen langs de voorrand even groot als langs de binnenrand, terwijl het middenveld bij de schijn-piramidevlinder vanaf de voorrand richting de binnenrand duidelijk versmalt. Een ander kenmerk betreft de V-vormige tanden in de binnenste dwarslijn: bij de piramidevlinder zijn deze tanden ongeveer even groot; bij de schijn-piramidevlinder is de tand die het dichtst bij de binnenrand ligt groter, waardoor deze verder het middenveld in steekt. De ringvlek is bij de piramidevlinder over het algemeen kleiner en scherper getekend dan bij de schijn-piramidevlinder. Een ander betrouwbaar verschil bevindt zich op de onderzijde van de achtervleugel: bij de piramidevlinder eindigt de deels koperkleurige vleugelzoom vrij abrupt bij de smalle donkere dwarsband en bevindt zich langs de voorrand een duidelijke, scherp afgegrensde, grijsbruin bespikkelde strook; het lichte gedeelte langs de binnenrand en in de vleugelwortel steekt hierdoor duidelijk af. Bij de schijn-piramidevlinder strekt het koperkleurige veld zich vanuit de vleugelzoom langs de binnenrand van de vleugel uit richting de vleugelwortel en is de grijsbruine spikkeling meer gelijkmatig over de hele vleugel verspreid. Voor het onder Kenmerken genoemde verschil in de kleur van de palpen is het gebruik van een loep aan te bevelen.
Bij de grote piramidevlinder (A. perflua) contrasteert het donkere middenveld sterk met het lichtere wortel- en zoomveld, en is de buitenste dwarslijn scherp getand.

Voorkomen

Zeer algemeen. Komt verspreid over het hele land voor. RL: niet bedreigd.

Habitat

Bossen, struwelen, parken en tuinen.

Waardplanten

Diverse loofbomen en struiken, waaronder eik, sporkehout, berk, meidoorn, sleedoorn, kamperfoelie en liguster.

Vliegtijd en gedrag

Half juli-eind oktober in één generatie. De vlinders komen op smeer en op bloedende bomen; ze worden geregeld op licht aangetroffen en bezoeken bloemen van de vlinderstruik. Overdag verbergen ze zich in holle bomen, achter schors, in nestkasten of in gebouwen, vaak met meerdere exemplaren bij elkaar en soms samen met exemplaren van Amphipyra berbera.

Levenscyclus

Rups: april-juni. In tegenstelling tot de vlinders zijn de rupsen gemakkelijk te onderscheiden van die van Amphipyra berbera doordat de zijlijn onderbroken is en het puntje op het laatste segment geel gekleurd is. De verpopping vindt plaats in een cocon in de strooisellaag of in de grond. De soort overwintert als ei in een bastspleet.

Laatste wijziging: 2 maart 2016


De kaartjes en diagrammen van de nachtvlinders op Vlindernet zijn gebaseerd op de waarnemingen uit 'Noctua', het gegevensbestand van De Vlinderstichting en de Werkgroep Vlinderfaunistiek, dat is samengesteld uit waarnemingenbestanden van onder andere:

N.B. Het ontbreken van stippen op de kaart betekent niet per se dat de soort op de betreffende locatie niet voorkomt. Het kan ook betekenen dat de soort er wel is waargenomen, maar dat een ingevoerde waarneming nog niet is gevalideerd, of dat we van die plek (nog) geen waarnemingen voor Noctua ontvangen hebben.
Meer over deze soort:
Foto: Han Klein Schiphorst; collectie Naturalis Biodiversity Center Leiden
Foto: Bob van de Dijk
Enumatil - 6 augustus 2008
Foto: Jeroen Voogd
De duidelijk onderbroken zijlijn vormt het onderscheid met de schijnpiramidevlinder.
 naar fotoalbum »


De Vlinderstichting beschermt vlinders en libellenOp Vlindernet vind je alles over vlindersOp Libellennet vind je alles over libellen