
aardbeivlinder (Pyrgus malvae)
Biologie en ecologie HabitatZowel droge als vochtige terreinen met een afwisseling van lage en hoge vegetaties.Habitat – extra informatieGeschikte droge gebieden zijn droge graslanden, zeeduinen, heiden, lage pioniersvegetaties, kapvlakten en schrale zomen langs bosranden. De vegetatie is er laag en de waardplanten groeien in een hoge dichtheid (5-20 planten per m2). Zo wordt in de duinen dauwbraam met kruipende uitlopers gebruikt die groeit in een lage vegetatie, veelal kort gehouden door konijnen.Geschikte vochtige gebieden zijn vochtige graslanden en moerassen met een lage vegetatie. Het grondwater staat hier plaatselijk tot aan het maaiveld. De dichtheid aan vlinders is in vochtige graslanden doorgaans hoger dan in droge heiden of duinen. WaardplantenVooral tormentil (in het binnenland) en dauwbraam (in de duinen).MobiliteitDe aardbeivlinder is een honkvaste vlinder. Slechts een enkele keer zijn zwervers buiten geschikt leefgebied en/of buiten de bekende populaties gezien.Vliegtijd en gedragBegin mei-half juni in één generatie. De vlinders voeden zich met nectar van verschillende kruiden; soms zijn ze ook te vinden op bramen in de bosrand. De mannetjes verdedigen een territorium vanaf een hoge plek, zoals een grashalm of een bloemknop.Uiterste vliegdataDe uiterste data waarop vlinders zijn gezien, zijn 4 april en 23 augustus. Dieren die later in het jaar vliegen zijn mogelijk van een partiële tweede generatie die sporadisch en in uiterste lage aantallen voorkomt.LevenscyclusRups: begin augustus-half mei. De jonge rups spint een kokertje door een blad naar boven te vouwen; grotere rupsen spinnen meerdere bladeren samen tot een soort kokertje. De rupsen eten meestal in de avond en in de vroege ochtend. De verpopping vindt plaats in een losse cocon in de kruidlaag; de soort overwintert als pop. De eieren worden afgezet op jonge planten in lage vegetatie aan de onderkant van een blad (één eitje per blad).Levenscyclus en gedrag – extra informatieei-afzetNa de paring vliegt het vrouwtje laag boven de vegetatie op zoek naar een geschikte waardplant. Zij heeft een voorkeur voor kleine, jonge planten die in een lage vegetatie groeien. Voor ze de eitjes afzet inspecteert ze het blad zorgvuldig door eroverheen te lopen, waarbij ze met een gekromd achterlijf de onderzijde van het blad aftast. Er wordt één eitje op de onderzijde van een goedgekeurd blad afgezet. rups en verpopping De jonge rups spint een kokertje door het blad naar boven te vouwen. Grotere rupsen gebruiken meerdere bladeren die ze tot een koker samenspinnen. Alleen ´s ochtends en ´s avonds komt de rups uit zijn koker om te eten. De soort overwintert als pop in een cocon van samengesponnen, dor, omgekruld blad in het strooisel. vlinders Ongeveer negen maanden na de verpopping verschijnt de vlinder. De dichtheid aan vlinders is vrij hoog tot hoog, circa 8 tot 66 individuen per hectare. De vlinder voedt zich met nectar van verschillende lage kruiden: in heidegebieden vooral tormentil en muizenoor, in kalkgraslanden kruipend zenegroen en in de duinen reigersbek, duinviooltje, muizenoor, hoornbloem, braam en hondsdraf. Soms is de vlinder ook op de bramen, indien aanwezig, in de bosrand te vinden. Mannetjes verdedigen een territorium en zitten meestal op een hogere plek, zoals een grashalm of bloemknop, van waaruit ze de omliggende lage vegetatie overzien. Vliegt er een vrouwtje in de buurt dan wordt ze achtervolgd. Het mannetje volgt het vrouwtje tussen de vegetatie en uiteindelijk kruipen de vlinders naar elkaar toe met gekromde achterlijven. Tijdens de paring openen en sluiten de vlinders hun vleugels en trappelen ze zo nu en dan met hun achterpoten tegen het achterlijf van de partner. De paring kan anderhalf uur duren. Laatste wijziging: 26 april 2011 |
Meer over deze soort:
Foto: Bernard Fransen; collectie Jaap Poot bovenkant Foto: Gert Gelmers Rouveen - 25 april 2009 Foto: Jack Pouw ongeveer 1,5 cm Bargerveen - 13 juli 2009 |
||